Joep: Zou jij iets of iemand kunnen doden? Hans: Ik dood en ik laat voor mij doden. Joep: Wát? Hans: Wat niet. Joep: Bijvoorbeeld? Hans: kippen, koeien, varkens, stadsduiven, muskusratten, ratten, muizen, vissen, bomen, struiken, planten, schimmels, gisten, bacteriën, virussen. Joep: Eet jij stadsduiven en muskusratten? Hans: Nee, ik lust alleen bomen. Joep: Ik alleen schimmels. Hans: De gemeente vergast stadsduiven omdat ze overlast bezorgen en ik verzet me er niet tegen.